De leesmethode

Het eigen verhaal wordt gelezen volgens de fasen van de lectio divina.

1. Lectio – Lezing van het verhaal
Je leest de tekst, open en ontvankelijk. Je proeft de woorden, eerst sprekend, dan stil - je volgt de beweging, staat stil bij sommige passages - herkauwt woorden, krijgt beelden bij situaties. Lees met vertrouwen, want de woorden spreken zelf wel. Je hoeft niets aan de tekst te veranderen, de juiste betekenis komt vanzelf bij je binnen.

2. Meditatio – Overweging van het verhaal
Al lezend begeef jij je in de tekst als in een landschap. Je beweegt behoedzaam, op zoek naar sporen, oriëntatie en beweging. Je stopt even met lezen en probeert in enkele woorden te noteren waar het verhaal uiteindelijk over gaat. Neem hier ruim de tijd voor, want is moeilijk het programma van het verhaal - het plot - in twee of drie woorden te vatten. Je keert vervolgens terug naar de tekst en zoekt sporen van motiverende krachten: van moeten en willen. Als je die genoteerd hebt ontstaat een nauwkeuriger beeld van waar het verhaal heen wil. Vervolgens zoek je in de tekst sporen van toerusting: van kunnen en weten hoe. Je leest wat er allemaal niet lukt, of welke competenties nog verworven moeten worden. Als je deze competenties, of de belangrijkste, genoteerd hebt ontstaat een nauwkeuriger beeld van de eigenlijke actie. Kun je die uiteindelijke actie, waar het hele verhaal om draait, beschrijven? Kun je die beschrijven als de verbinding van een object met een subject? Voor welke waarde staat dat object? De vraag is namelijk wie in dit verhaal verbonden wordt met welke waarde. Ten slotte zoek je in de tekst naar sporen van waardering: sporen van blijheid, dat het gelukt is, dat het goed was. Van wie komt de waardering? Dan is dat de belangrijkste motivator of destinator. En weten wie die oorspronkelijke destinator is - die niet alleen tot de uiteindelijke handeling gemotiveerd heeft, maar die het subject van handelen ook met de nodige competenties heeft toegerust -, die te herkennen is nodig voor de volgende fase. 
 
3. Oratio – Gebed dat voortvloeit uit de overweging
Als je weet welke waarden in dit verhaal geactualiseerd of gerealiseerd zijn kan er bij jou een verlangen ontstaan diezelfde waarden in jouw leven te vinden. Je weet nu wat de motiverende krachten zijn: waar haalde het subject zijn of haar kracht uiteindelijk vandaan? Je weet ook welke waarden jij verlangt. Dit kun je nu formuleren in een gebed.

4a. Operatio – Oefening die voortvloeit uit het gebed
Als je weet wat je verlangt ga je je daarnaar gedragen. Operatio is niet het uitvoeren van een opdracht, maar het is werk dat gedragen wordt door gebed. Het is daarom eerder een oefening, een spel dat de tekst zelf in werking zet.

4b. Contemplatio – Langdurig stilstaan bij wie of wat je aangrijpt
De woorden van de tekst komen voort uit een bron, de 'auteur', en keren uiteindelijk terug naar die bron. Zo brengt de tekst de lezer in contact met zijn bron. In dit contact kun je langdurig verblijven. Het wordt een betrokkenheid die gaat werken, die jou transformeert naar die bron en die bron naar jou. Dit gaat diep, omdat je betrokken bent op de 'auteur' van het goede leven waar jij naar op zoek bent.